concert 18 november 2016

60-jarig Amicitia schittert in groots jubileumconcert

Christelijke Oratoriumvereniging Amicitia heeft het jaar waarin het zijn 60-jarig bestaan viert luister bijgezet met een jubileumconcert, waarin de zangers hebben laten zien waartoe ze in staat zijn, en dat is heel wat. Het publiek, royaal aanwezig in De Burcht op vrijdag 18 november, werd getrakteerd op een uitdagend programma.

Het koor, waarvan je je steeds weer in herinnering moet brengen dat het amateurs zijn, werd bij dit optreden bijgestaan door een flink aantal professionele musici. Het kwartet solisten deed goed zijn werk. De grootste rol was weggelegd voor de tenor, Peter Vos, die dat heel nauwkeurig deed. Ook sopraan Heleen Koele bleek over een zeer soepele stem te beschikken die in de hoogte ook aangenaam bleef en nooit scherp werd. De alt-mezzo Martine Straesser vertolkte haar partij heel adequaat, Bas Frans Fiselier vond ik iets minder, met soms wel veel vibrato. Opvallend was het goede samenspel: de passages met drie of vier solisten, soms bijna a capella, vormden hoogtepunten.

Het Promenade Orkest begeleidde uitstekend, waarbij de houtblazers in positieve zin opvielen. Het orgel met Eric Jan Joosse, al meer dan 30 jaar met het koor verbonden, had eveneens een belangrijke rol. Bijna zou je dirigent Toon de Graaf vergeten, en dat is een compliment want hij deed precies wat een dirigent hoort te doen: anderen muziek laten maken, en hij deed dat bescheiden maar met een duidelijke muzikale visie, zonder ooit de controle te verliezen.

Alle drie werken die ten gehore werden gebracht zijn afkomstig uit de negentiende eeuw, en voldeden aan wat je van die eeuw verwacht: groots en meeslepend. Voor de pauze klonk de Mis in As groot van Franz Schubert (D678), waarin het koor meteen al behoorlijk werd uitgedaagd. De tekst van de klassieke Latijnse mis is door Schubert bewerkt tot een muzikaal drama van ruim drie kwartier, waarin hij een scala aan muzikale elementen voorbij laat komen, van grootse tutti tot intieme meditatieve gedeelten. De harmonieën van Schubert zijn ingewikkeld, met veel chromatische verschuivingen; daar moet lang op gestudeerd zijn. Ook ritmisch en dynamisch wordt er iets gevraagd, Schubert schroomt de pp’s en de ff’s (zeer zacht en zeer luid) bepaald niet. Daarbij bleek het koor de fortissimi prima te kunnen halen, krachtig zonder te schreeuwen, maar vond ik de pianissimi soms niet zacht en expressief genoeg. Het is ook moeilijk, met 80 koorleden heel zacht te zingen. Misschien was er ook angst om niet boven het orkest uit te komen, maar hier valt nog iets te winnen. Hoogtepunten waren voor mij allereerst de verrassende fuga aan het slot van het Gloria, precies waar cum sanctu Spiritu (met de Heilige Geest) wordt ingezet. Op een angstig moment na, dat net goed afliep, ging dat voortreffelijk. Het Credo, een lange tekst, gaf Schubert de gelegenheid tot veel variatie, en je merkt dat hij in de muziek commentaar geeft op de geloofsbelijdenis. Zo wordt bij het et incarnatus (‘en vleesgeworden’, de menswording van Christus) de harmonie bijna onontwarbaar, zo ingewikkeld. De zuiverheid daar bewaren was voor het koor dan ook weleens lastig. Dat dan ineens bij het resurrexit (‘opgestaan op de derde dag’) alle voortekens wegvallen en stralend C-groot klinkt, is zeker geen toeval. In één geval veroorlooft Schubert zich zelfs een tekstingreep door het weglaten van ‘ik geloof één heilige katholieke kerk’, en de uitvoering volgde dat terecht, hoewel er ook een religieus-correcte reparatie mogelijk is. Het Agnus Dei (‘Lam Gods’) sluit de mis af, in een kwetsbare muzikale vorm die dan ineens uitloopt op een dona nobis pacem (‘geef ons vrede’), dat werd neergezet als een krachtige, hartstochtelijke (en helaas nog steeds actuele) bede.

Na de pauze klonk eerst Psalm 150 van César Franck, een melodieus en veel minder moeilijk stuk, dat het koor met zichtbaar plezier zong, maar daarna moesten nog een keer alle zeilen worden bijgezet voor het Te Deum van Anton Bruckner. Opnieuw een groots koorwerk waarbij veel van het koor werd gevraagd, want bij Bruckner zijn we een halve eeuw verder dan bij Schubert, in een tijd die nog meer het monumentale zocht: ook het fff (fortissimo possibile, zo sterk mogelijk) vind je regelmatig in de partituur. Ook dat kon het koor nog heel behoorlijk aan, al leek het soms of de stemmen wel wat moe begonnen te worden, wanneer na zo’n sterke passage ineens een lang aangehouden pianissimo hoge g of a werd voorgeschreven. Of het mocht zijn dat de oren van uw verslaggever langzamerhand hun maximaal opnamevermogen hadden bereikt.

Bruckner beschouwde het Te Deum als het hoogtepunt van zijn werk. Hij zei eens dat hij, later door de Eeuwige gevraagd wat hij met zijn talent had gedaan, Hem de partituur van het Te Deum zou overhandigen en dan wel op genade meende te mogen rekenen. Dat zal zeker zo zijn, maar omwille van zangers en publiek is het misschien toch verstandiger niet meer twee werken van een dergelijke omvang als de Mis van Schubert en het Te Deum te programmeren.

Anderzijds: het is ook niet elk jaar jubileumjaar, en dit programma gaf Amicitia wel de gelegenheid zijn kunnen te tonen; en dat is indrukwekkend, waarvoor hulde!

Joep Dubbink