Concert 6 november 2001

Veel te genieten bij concert Amicitia

Secondenlang bleef het stil in de volle Burghtkerk in Uithoorn op dinsdagavond 6 november jl., nadat de laatste klanken waren weggestorven van de mis in G van Schubert, waarmee de christelijke oratoriumvereniging Amicitia haar concert besloot. “Dona nobis pacem”, geef ons vrede, zong het koor, en dirigent Toon de Graaf hield de spanning en de uitdrukkingskracht van die woorden en van de muziek vast in de stilte – waarna tenslotte een welverdiend applaus opklon uit het publiek als waardering voor hetgeen zangers en musici deze avond ten gehore hadden gebracht.

En dat was veel. Het programma omvatte vier composities van drie componisten uit verschillende muzicale tijdperken. Amicitia werd hierbij muzikaal ondersteund door de leden van het Nederlands Promenade Orkest en door Eric Jan Joosse op het orgel. Viel solisten verleenden hun medewerking: sopraan Hieke Meppelink, alt Martine Straesser, tenor Frank Fritschy en bas Robbert Muuse.

Geopend werd met cantate 21 van J.S. Bach: “Ich hatte viel Bekümmernis”. Dit is met zijn ruim veertig minuten de langste cantate die Bach schreef. Hij vertolkt hierin gevoelens die veel mensen zullen herkennen; in het eerste deel van de cantate worden de zorgen en vragen, de vertwijfeling en de angst waar mensen onder gebukt kunnen gaan, onder woorden gebracht. De ziel voelt zich van God verlaten. Dit wordt vooral uitgezonden in de aria’s van sopraan en tenor. Het tweede deel begint met een duet van sopraan en bas, dat een tweespraak is tussen de vertwijfelde mensenziel en Jezus. Langzaam maken angst en twijfel plaats voor hoop en vertrouwen. Eerst nog ingetogen, als het koor de koraalmelodie zingt, die wij kennen als “Wie maar de goede God laat zorgen”. Begeleidende trombones geven hieraan een bijzondere, troostende klank. Tenslotte breekt de volle vreugde door in het schitterende slotkoor, waarin trompette en pauken de lofzang op het Lam kracht bijzetten.

Dit geheel werd deze avond bijzonder goed verklankt, hoewel de instrumentale inzet wat aarzelend was en onzuiver in de strijkers. De hoboïst speelde echter een prachtige partij, zowel in de opening als later in de begeleiding van de sopraan-aria. Amicitia zette met overtuiging het openingskoor neer, waarin de beide delen van de cantate ook in muzikale zin (als contracten) worden uiteengezet. De fugatische lijnen bleven in alle stemmen goed te volgen en het geheel bleef daardoor helder en doorzichtig. En dat is geen sinecure bij het zingen van Bach met zo’n groot koor. Ook de zuiverheid waarmee de hele cantate gezongen werd was groot; behalve misschien in de unisono door de mannen gezongen koraalmelodie. Eénstemmig zingen lijkt eenvoudig, maar is dat beslist niet.

Bij de solisten moet in het bijzonder sopraan Hieke Meppeling genoemd worden, die wat mij betreft met kop en schouders boven de anderen uitstak. Opvallend was overigens, dat door een iets gewijzigde opstelling, de solisten áchter het orkest stonden. Dit heeft misschien met name de beide heren parten gespeeld, die dan ook in de laagte soms moeilijk te horen waren. Dat deze opstelling een probleem was, bleek ook uit het feit dat de solisten bij hun aria’s soms op een andere plaats gingen staan, vermoedelijk om beter contact te houden met de hen begeleidende instrumenten. Alt Martine Straesser kwam helaas nauwelijks aan bod: bij bach had ze slechts een ondergeschikte rol en na de pauze hoefde ze helemaal niets meer te doen.
Ook het vervolg van de cantate werd door koor, organist en orkest overtuigend gebracht; met zijn rustige, duidelijke slag leidde dirigent Toon de Graaf alles en allen in goede banen.

Na de pauze zong Amicitia het “Te Deum” van Mozart. Weer zong het koor duidelijk en goed verstaanbaar, en ook bij zeer zachte passages mooi zuiver. Echt stralen wilde dit stuk echter niet. Hierna konden de koorleden even rust nemen om te genieten van het schitterend gezonden motet “Exsultate Jubilate”, ook van Mozart. Hieke Meppelink, nu op haar vertrouwde plaats vóór het orkest, zong met haar heldere stem de coloraturen lichtvoetig en schijnbaar moeiteloos. Meer ingetogen passages als “Schenk ons vrede, schenk ons vertroosting” klonken zeer innig. Toon de Graaf lief het orkest stralen en betoonde zich hiermee een uitstekend orkestdirigent. Niet voor niets klonk na dit stuk een zeer enthousiast applaus.

Tot slot voerden koor en orkest met de drie overgebleven solisten de al genoemde mis in G van Frans Schubert uit. Een stuk dat de amper 18-jarige componist in zes dagen schiep. Een korte, eenvoudige mis, die ook weer prachtig werd vertolkt, met grote muzikale en emotionele expressie, uitmondend in het gebed om vrede, dat een ieder in de stilte met zich mee kon dragen.
Al met al een zeer geslaagde uitvoering, waar de aanwezigen met een warm gevoel aan zullen terugdenken.

Willy Rullmann